Tijdelijk verlaagd btw tarief op verbouwing woningen

Bij verbouwingskosten moet u niet alleen denken aan renovatie en herstelwerkzaamheden, maar ook bijvoorbeeld aan tuinonderhoud en tuininrichting. Er kan echt een heleboel tegen het lage btw tarief.

Van 1 maart 2013 tot 1 maart 2014 geldt het lage btw tarief op verbouwingskosten van woningen. Bij verbouwingskosten moet u niet alleen denken aan renovatie en herstelwerkzaamheden, maar ook bijvoorbeeld aan tuinonderhoud en tuininrichting. Er kan echt een heleboel tegen het lage btw tarief. Altijd al een zwembad of sauna willen hebben, basketbalveld of kruidentuin aanleggen? Bouwtekeningen en aanlegkosten vallen onder het lage btw tarief! Download de speciale bijlage met een overzicht van de meest gestelde vragen en antwoorden.

update-vragen-en-antwoorden-verlaagd-tarief-renovatie

sociaal akkoord met betrekking tot arbeid

De sociale partners en het kabinet hebben in het sociaal akkoord afspraken gemaakt om de positie van flexwerkers te verbeteren. Deze afspraken moeten op 1 januari 2015 of 2016 ingaan. Enkele zeer belangrijke gewijzigde regels hebben we voor u op een rij gezet.
1.Ketenbepaling
2.Geen proeftijd en geen concurrentiebeding
3.Werknemers gaan meebetalen aan WW
4.Het ontslaan van de werknemer: de ontslagroute

sociaal akkoord met betrekking tot arbeid

De sociale partners en het kabinet hebben in het sociaal akkoord afspraken gemaakt om de positie van flexwerkers te verbeteren. Geeft de Eerste Kamer haar goedkeuring, dan moeten deze op 1 januari 2015 of  2016 ingaan. Enkele zeer belangrijke voorstellen tot wijziging hebben we voor u op een rij gezet.

1.Ketenbepaling

2.Geen proeftijd en geen concurrentiebeding

3.Werknemers gaan meebetalen aan WW

4.Het ontslaan van de werknemer: de ontslagroute

1.Ketenbepaling

Op dit moment treden werknemers automatisch in vaste dienst na drie tijdelijke contracten of na verloop van drie jaar. Deze 3-3-3-regel gaat veranderen. U kunt een werknemer nog steeds maximaal drie tijdelijke contracten geven, maar de duur van de ketenbepaling wordt beperkt tot twee jaar. Zitten er zes maanden of meer tussen twee tijdelijke contracten, dan begint de ketenbepaling weer opnieuw. Nu is dat na drie maanden. De nieuwe regeling geldt niet voor jongeren onder de 18 jaar met een contract voor 12 uur of minder per week.

2.Geen proeftijd en geen concurrentiebeding in tijdelijk contract

Hieronder de belangrijkste afspraken:

  • Er mag geen proeftijd meer opgenomen worden in arbeidsovereenkomsten die een looptijd hebben van zes maanden of korter.
  • U mag in tijdelijke contracten – ongeacht de lengte van het contract – geen concurrentiebeding meer opnemen, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. U moet dan kunnen motiveren waarom het concurrentiebeding noodzakelijk is.
  • Als u het tijdelijke contract van een werknemer in de toekomst niet verlengt, komt de werknemer in aanmerking voor een transitievergoeding.
  • In de zorgsector mogen geen nul urencontracten meer worden gesloten.
  • Uitzend- en payrollcontracten moeten zo veel mogelijk gelijk zijn aan contracten waarbij de werknemer rechtstreeks bij de werkgever in dienst is. De bijzondere ontslagregels die nu voor payrolling gelden, komen dan te vervallen. De sociale partners willen nog vóór het zomerreces met concrete voorstellen komen om de positie van ingeleende werknemers te verduidelijken.

Regels niet geldig voor scholieren tot 18 jaar

Omdat voor werkende scholieren het werk niet meer dan een nevenactiviteit is, zijn de ketenbepaling en de transitievergoeding  niet van toepassing  op jongeren tot 18 jaar met een contract van maximaal 12 uur.

 

3.Werknemers gaan weer meebetalen aan de WW

De hoofdpunten om de Werkloosheidswet te hervormen zijn: inkorting van de door de overheid betaalde WW-uitkering met 14 maanden, in cao’s mag een langere WW-duur worden afgesproken,  werknemers gaan weer meebetalen aan de WW en werkloze moet al na zes maanden passende arbeid accepteren.

Eén van de aanpassingen van de WW is dat de overheid in de toekomst nog maar 24 maanden WW uitkeert, in plaats van de huidige 38 maanden. De afbouw – in onderstaand schema weergegeven – zal geleidelijk plaatsvinden: vanaf 1 januari 2016 met één maand per kwartaal. In de loop van 2019 is de algemene WW-duur dan 24 maanden. Daarnaast kunnen werkgevers- en werknemersorganisaties in cao’s afspreken dat zij de WW-uitkering met maximaal 14 maanden verlengen, zodat werknemers toch nog 38 maanden WW ontvangen. Dit gedeelte moeten de werkgevers en werknemers dan wel zelf financieren. Het publiek gefinancierde deel van de WW wordt nu geheel door werkgevers betaald. Dit Algemeen werkloosheidsfonds [WW-Awf] kende tot en met 2012 formeel ook een werknemersdeel, maar dat was al jaren op 0% gesteld. Met de invoering van de Wet uniformering loonbegrip is het werknemersdeel eindelijk officieel geschrapt. Mogelijk komt het dus weer terug. Als de plannen doorgaan, betalen werknemers straks 50% van het publiek gefinancierde deel van de WW.

Afbouw WW-duur

Kwartaal

Maximale WW duur

t/m 2015

38 maanden

1 januari 2016

37 maanden

1 april 2016

36 maanden

1 juli 2016

35 maanden

1 oktober 2016

34 maanden

1 januari 2017

33 maanden

1 april 2017

32 maanden

1 juli 2017

31 maanden

1 oktober 2017

30 maanden

1 januari 2018

29 maanden

1 april 2018

28 maanden

1 juli 2018

27 maanden

1 oktober 2018

26 maanden

1 januari 2019

25 maanden

1 april 2019

24 maanden

 

Werkloze moet al na zes maanden passende arbeid accepteren

De hoogte van de WW-uitkering blijft loongerelateerd en gebaseerd op het laatst verdiende loon. Om de uitstroom uit de WW te vergroten, wordt de definitie van passende arbeid aangescherpt. Vanaf 2016 wordt na zes maanden alle arbeid als passend aangemerkt. Nu hoeven werklozen pas na 12 maanden werk onder hun niveau te accepteren. Ook de opbouw van de WW verandert: die wordt in de eerste tien jaren één maand per gewerkt jaar en daarna een halve maand per gewerkt jaar. Elk gewerkt jaar vóór 1 januari 2016 geeft recht op één maand opbouw. Nu wordt de opbouw nog berekend aan de hand van het fictief en feitelijk arbeidsverleden.

4.Ontslagroute wordt straks bepaald door reden

De ontslagroute ondergaat wijziging na wijziging. In het sociaal akkoord is opgenomen dat de twee ontslagroutes, namelijk via UWV of de kantonrechter, blijven bestaan, maar dat de reden voor ontslag bepalend wordt voor de ontslagroute die u doorloopt. Voor ontslag met wederzijds goedvinden komt een bedenktijd van twee weken.

Ontslag via UWV of kantonrechter

Nu kunt u bij ontslag nog zelf kiezen van welke ontslagroute u gebruikmaakt, maar in het sociaal akkoord staat dat per 1 januari 2016 de reden voor het ontslag gaat bepalen welke ontslagroute u moet nemen.

§  Als het gaat om ontslag wegens bedrijfseconomische redenen of langdurige arbeidsongeschiktheid, moet u kiezen voor ontslag via UWV.

§  Gaat het om ontslag om persoonlijke redenen – denk bijvoorbeeld aan disfunctioneren of een verstoorde arbeidsrelatie – dan moet uw onderneming naar de kantonrechter stappen.

 

Ontslag met wederzijds goedvinden

Een derde ontslagmogelijkheid is het ontslag met wederzijds goedvinden. Hiervan is sprake als de werknemer schriftelijk instemt met zijn ontslag. De werknemer heeft dan twee weken bedenktijd, zodat hij bijvoorbeeld niet in een vlaag van emotie instemt met het ontslag en hier later spijt van krijgt. De schriftelijke instemming heeft geen nadelige gevolgen voor het recht op een werkloosheidsuitkering.
Mogelijk kan per cao worden besloten dat u het ontslag moet toetsen bij een zogenoemde sectorcommissie. Deze commissie wordt dan ingesteld door de cao-partners. De details hierover moeten nog worden uitgewerkt door de sociale partners en het kabinet. 

 

Transitievergoeding bij ontslag

Ontslaat u een medewerker die minimaal 2 jaar bij u in dienst is? Dan betaalt u uw medewerker een transitievergoeding. Om een andere baan of beroep te krijgen, gebruikt uw medewerker deze vergoeding voor (om)scholing of outplacement. De transitievergoeding is afhankelijk van

Wat verandert er?

Ontslaat u een medewerker die minimaal 2 jaar bij u in dienst is? Dan betaalt u uw medewerker een transitievergoeding. Om een andere baan of beroep te krijgen, gebruikt uw medewerker deze vergoeding voor (om)scholing of outplacement.

Hoogte transitievergoeding

De transitievergoeding is afhankelijk van het aantal jaren dat uw medewerker bij u in dienst is geweest:

§  Uw ontslagen medewerker krijgt per gewerkt dienstjaar 1/3 maandsalaris als vergoeding.

§  Heeft uw medewerker 10 jaar of langer bij u gewerkt? Dan krijgt hij vanaf het 10e dienstjaar een vergoeding van een 1/2 maandsalaris per dienstjaar.

§  Is uw medewerker 50 jaar of ouder? En heeft hij 10 jaar of langer bij u gewerkt? Dan krijgt hij vanaf het 10e dienstjaar een vergoeding van 1 maandsalaris per dienstjaar. Dit geldt niet als u een MKB bedrijf hebt met minder dan 25 werknemers.

§  De transitievergoeding is maximaal € 75.000. Verdient uw medewerker meer dan € 75.000? Dan is de vergoeding maximaal 1 jaarsalaris.

Bron: http://www.antwoordvoorbedrijven.nl/wetswijziging/transitievergoeding

 

Nieuwe regels vakantiedagentegoed

Welke vakantiedagen vervallen op 1 juli 2013 als de werknemer deze nog niet heeft opgenomen?
In de nieuwe regeling die sinds 1 januari 2012 geldt wordt een belangrijk onderscheid gemaakt tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. Het wettelijke aantal vakantiedagen per jaar is vier maal het aantal werkdagen per week. Bij een fulltime dienstverband bestaat dus minimaal recht op

Nieuwe regels vakantiedagentegoed: u bent het toch niet vergeten?

Welke vakantiedagen vervallen op 1 juli 2013 als de werknemer deze nog niet heeft opgenomen?

In de nieuwe regeling die sinds 1 januari 2012 geldt wordt een belangrijk onderscheid gemaakt tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantiedagen. Het wettelijke aantal vakantiedagen per jaar is vier maal het aantal werkdagen per week. Bij een fulltime dienstverband bestaat dus minimaal recht op twintig vakantiedagen per jaar (4 x 5 dagen). Werkt de werknemer bijvoorbeeld 24 uur, dan heeft hij wettelijk recht op minimaal 96 uur vakantie (4 x 24 uur) per jaar. De meeste werknemers hebben daarnaast nog recht op bovenwettelijke vakantiedagen. Deze zijn vaak geregeld in de arbeidsovereenkomst of in de cao.

Vakantiedagentegoed binnen zes maanden opnemen
De vakantiedagen die op 1 juli 2013 vervallen zijn de wettelijke vakantiedagen die de werknemer in 2012 heeft opgebouwd, maar nog niet heeft opgenomen. Volgens de nieuwe regels geldt dat vanaf 1 januari 2012 werknemers hun wettelijke vakantiedagen binnen zes maanden na het opbouwjaar moeten opnemen. Echter, voor de bovenwettelijke vakantiedagen geldt de nieuwe regeling niet. Voor deze extra vakantiedagen geldt een verjaringstermijn van vijf jaar. De verjaringstermijn van vakantiedagen wordt berekend vanaf 31 december van het jaar waarin de aanspraak is ontstaan. Bovenwettelijke dagen die zijn opgebouwd in 2012 vervallen dus pas op 31 december 2017.

Let op: voor zowel de wettelijke als de bovenwettelijke vakantiedagen die zijn opgebouwd tot 1 januari 2012 geldt een vervaltermijn van vijf jaar.

Onzakelijke lening wegens onzakelijke voorwaarden

In geval van afwaardering van de lening wegens oninbaarheid, is vereist dat de lening op zakelijke gronden en tegen zakelijke voorwaarden is verstrekt. Is dit niet zo dan kan de fiscus stellen dat het risico is aanvaard op grond van

Bij een directeur-grootaandeelhouder [dga] die aan zijn bv een lening onder onzakelijke voorwaarden verstrekte, accepteerde de fiscus geen afwaardering wegens oninbaarheid. Een e-mailverklaring van een derde over zijn bereidheid tot verstrekking van een lening veranderde, volgens het Hof, hier niets aan.

Een dga die een lening verstrekt aan zijn bv is dagelijkse praktijk, en dit geschied helaas regelmatig onder onzakelijke voorwaarden. In geval van afwaardering van de lening wegens oninbaarheid, is vereist dat de lening op zakelijke gronden en tegen zakelijke voorwaarden is verstrekt. Is dit niet zo dan kan de fiscus stellen dat het risico is aanvaard op grond van aandeelhoudersmotieven.

Hof Den Haag oordeelde dat geldverstrekkingen van de dga aan zijn bv onzakelijk waren, omdat deze onder omstandigheden waren verstrekt die door een onafhankelijke derde – bijvoorbeeld een bank -niet zou zijn geaccepteerd. In de voorwaarden van die leenovereenkomsten was de hoofdsom ten allen tijde opeisbaar, een rente van 4% verschuldigd, geen aflossing overeengekomen en geen zekerheid gesteld. Ook had de bv niet aan een bank of andere zakelijke kredietverstrekker een verzoek gedaan voor een lening. Een e-mailverklaring van een voormalig medestudent van de dga over bereidheid tot verstrekking van een lening – die voor onafhankelijke derde moest doorgaan – werd ongeloofwaardig geacht. Het Hof vond daarom dat de dga het debiteurenrisico slechts had aanvaard met de bedoeling het belang van de vennootschap te dienen. Dit gold ook voor de rekening courant vordering van de dga op de bv. Het was daarom niet toegestaan de afwaardering van de leningen en de rekening courant vordering in mindering te brengen op het box 1 inkomen.

Meer informatie: Gerechtshof Den Haag, 18 december 2012, LJN: BZ6528, gepubliceerd 8 april 2013
Artikel 3.92 Wet IB2001

Kunstuitleen en giftenaftrek

Een kunstverzamelaar die zijn kunstwerken verhuurde aan een museum, mocht een bedrag ter grootte van de huursommen als periodieke gift in aftrek brengen. De waarde van de kunstwerken moest hij wel opgeven in box 3, omdat

Een kunstverzamelaar die zijn kunstwerken verhuurde aan een museum, mocht een bedrag ter grootte van de huursommen als periodieke gift in aftrek brengen. De waarde van de kunstwerken moest hij wel opgeven in box 3, omdat hij deze ter belegging hield, zo oordeelde het hof.

Een kunstverzamelaar verhuurde een aantal kunstwerken ter waarde van € 720.000 voor vijf jaar aan een museum. Hiervoor werd een zakelijke huurprijs van € 57.600 per jaar overeengekomen. Echter, de betalingsverplichting van de huurprijs werd omgezet in een lening ter grootte van de huursommen die het museum in vijf jaarlijkse termijnen moest aflossen. Tegelijkertijd verplichtte de kunstverzamelaar zich om jaarlijkse uitkeringen te doen aan het museum, ter grootte van de aflossingstermijnen die het museum moest betalen. Deze periodieke uitkeringen werden verrekend met de aflossingstermijnen die het museum schuldig was aan de kunstverzamelaar.

Giftenaftrek

Gerechtshof Den Haag oordeelde dat er sprake was van jaarlijkse schenkingen bij wijze van verrekening door de verzamelaar van de vaste en gelijkmatige periodieke uitkeringen die eindigden na vijf jaar of bij zijn eerder overlijden. Hij kon het jaarlijkse bedrag van € 57.600 aftrekken als periodieke gift in zijn aangifte inkomstenbelasting. Daar stond volgens het hof wel tegenover dat de verhuurde kunstwerken voor de verzamelaar als belegging dienden. Over de waarde moest hij dan ook vermogensrendementsheffing betalen. De schuld uit hoofde van de periodieke lijfrenteverplichting kwam als lening voor aftrek in aanmerking.

Van toepassing zijn artikel 5.8 en 6.38 van de Wet op de inkomstenbelasting 2001

Gerechtshof Den Haag, 5 februari 2013, LJN: BZ6434, 5 april 2013

Erfbelasting: geen partnervrijstelling wanneer partner plotseling overlijdt

Een vrouw die samenwoonde, maar geen geregistreerd partnerschap is aangegaan, heeft geen recht op de partnervrijstelling van de erfbelasting. De vrouw woont sinds 2006 samen met haar partner. Zij besluiten pas in augustus 2011 een notariële samenlevingsovereenkomst te sluiten. In september zouden zij een geregistreerd partnerschap aangaan. Enkele dagen daarvoor overlijdt de partner plotseling. De aanslag erfbelasting

De Commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven van de Tweede Kamer is van mening dat een vrouw die samenwoonde, maar geen geregistreerd partnerschap is aangegaan, geen recht heeft op de partnervrijstelling van de erfbelasting.

De vrouw woont sinds 2006 samen met haar partner. Zij besluiten pas in augustus 2011 een notariële samenlevingsovereenkomst te sluiten. In september zouden zij een geregistreerd partnerschap aangaan. Enkele dagen daarvoor overlijdt de partner plotseling.

De aanslag erfbelasting is opgelegd zonder toepassing van de partnervrijstelling en naar het vreemdentarief. Naar aanleiding van het verzoek aan de Commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven heeft de inspecteur met toepassing van de hardheidsclausule alsnog het partnertarief toegepast. Dit in verband met het onverwacht overlijden van de partner kort voor de geplande datum van partnerregistratie.

De Staatssecretaris van Financiën is van mening dat voor een verdergaande tegemoetkoming geen ruimte is. De vrouw heeft geen recht op de partnervrijstelling. Er is geen sprake van volledige gelijkstelling met geregistreerde partners of gehuwden. De Commissie voor de Verzoekschriften en de Burgerinitiatieven volgt de staatssecretaris in dit standpunt. De vrouw is in voldoende mate tegemoetgekomen.

Zie ook Kamerstukken II vergaderjaar 2012-2013, 33417, nr 21

Bron: Vakstudienieuws 08.04.2013

Hypotheekrenteaftrek en echtscheiding

Bij mensen die gaan scheiden is het vaak zo dat de woning minder waard is dan de schuld die erop rust. Indien die woning is gekocht op basis van het inkomen van beide echtelieden, dan is het vaak niet mogelijk dat één van beiden de volledige eigenwoningschuld overneemt. De enige optie is dan vaak dat het huis

Minister Blok (Wonen en Rijksdienst) en staatssecretaris Weekers (Financiën) geven in hun antwoorden op de vragen van de Kamerleden Knops en Omtzigt (CDA) over de problemen als gevolg van de huidige regelgeving met betrekking tot hypotheekrenteaftrek die kunnen optreden voor mensen met een eigen woning die in scheiding liggen  aan, dat de huidige regelgeving voldoende hulp biedt bij de problemen die kunnen optreden voor mensen met een eigen woning die in scheiding liggen. Minister Blok ziet dan ook geen reden om hier veranderingen in aan te brengen.

Bij mensen die gaan scheiden is het vaak zo dat de woning minder waard is dan de schuld die erop rust. Indien die woning is gekocht op basis van het inkomen van beide echtelieden, dan is het vaak niet mogelijk dat één van beiden de volledige eigenwoningschuld overneemt. De enige optie is dan vaak dat het huis met verlies wordt verkocht. De beide ex-partners moeten dan nog wel de restschuld financieren. Volgens minister Blok wordt dit met de huidige regelgeving voldoende ondersteund en verwijst naar de maatregelen vastgelegd in [1] de Tijdelijke regeling hypothecair krediet, [2] de geleidelijke afbouw van de Loan-to-value norm en [3] Gedragscode Hypothecaire Financiering.

Verder zijn in de Wet herziening fiscale behandeling eigen woning diverse maatregelen opgenomen ter voorkoming van financiële problemen.

Eigenwoningschuld

Zo is in het Besluit van 20 december 2012, nr. BLKB2012/1977M voorzien in uitzonderingen op de minimum looptijd voor een vrijgestelde kapitaalverzekering eigen woning, spaarrekening eigen woning, of beleggingsrecht eigen woning voor gevallen van echtscheiding (en beëindiging van fiscaal partnerschap) en in het geval van restschulden. Hierdoor kunnen belastingplichtigen die gaan scheiden en die naast een aflossingsvrije lening een bedrag hebben gespaard, deze gespaarde gelden vroegtijdig opnemen en gebruiken voor aflossing van de eigenwoningschuld, zonder dat over de opname van die gespaarde gelden belasting verschuldigd is.

Verhuisregeling

Voor echtscheidingssituaties zijn met name de regeling bij echtscheiding waarbij de ene ex-echtgenoot in de woning blijft wonen en de reguliere verhuisregeling voor de leegstaande te koop staande eigen woning relevant. De eerste regeling bij echtscheiding voorziet erin dat de ex-echtgenoot die niet meer in de woning woont de verlaten woning nog twee jaar als eigen woning mag aanmerken in het geval de andere echtgenoot in de voormalige gezamenlijke eigen woning is blijven wonen. Op die manier heeft de echtgenoot die achterblijft in de woning de tijd om bijvoorbeeld de financiering voor het overnemen van het deel van de woning van de voormalige echtgenoot rond te krijgen.

Daarnaast biedt de reguliere verhuisregeling versoepeling in echtscheidingssituaties in het geval beide echtgenoten de voormalige eigen woning verlaten en deze te koop zetten. De voormalige eigen woning wordt in dat geval voor beide ex-echtgenoten nog maximaal drie jaren na het jaar van verhuizing aangemerkt als eigen woning, waardoor de rente op de hypotheekschuld die betrekking heeft op die voormalige eigen woning in die periode voor hen aftrekbaar blijft. Normaal gesproken bedraagt de termijn maximaal twee jaar na het jaar van verhuizing, maar deze is tijdelijk tot en met 2013 verruimd tot drie jaar.

Voor meer informatie: Beantwoording Kamervragen over hypotheekrenteaftrek en echtscheiding , 2 april 2013, nummer 2013-0000203202.

Voorwaarden voor onbelaste eenmalige vermindering pensioen DGA

Het prijsgeven van pensioenaanspraken kan fiscale gevolgen hebben. Betreft het een pensioenaanspraak bij een zogenoemd eigenbeheerlichaam, dan heeft het prijsgeven alleen geen gevolgen voor zover sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten. Vanaf 1 januari 2013 is het mogelijk het pensioen eenmalig onbelast af te waarderen. De voorwaarden waaronder dit is toegestaan

In het besluit BLKB2013/27 zijn de voorwaarden bekendgemaakt waaronder een eenmalige korting op het pensioen van de directeur-grootaandeelhouder wegens onderdekking is toegestaan zonder dat hier fiscaal over afgerekend moet worden.

Eenmalige vermindering

Het prijsgeven van pensioenaanspraken kan fiscale gevolgen hebben. Betreft het een pensioenaanspraak bij een zogenoemd eigenbeheerlichaam, dan heeft het prijsgeven alleen geen gevolgen voor zover sprake is van niet voor verwezenlijking vatbare rechten (zie artikel 19b, eerste lid, onderdeel c, van de Wet LB). Aanspraken zijn niet voor verwezenlijking vatbaar als er dwingende maatschappelijke redenen zijn om af te zien van de aanspraken. Dit kan het geval zijn bij faillissement, surseance van betaling of schuldsanering.

Met ingang van 1 januari 2013 is aan artikel 19b Wet LB een negende lid toegevoegd. Hierin is een uitzondering opgenomen op het eerste lid, onderdeel c, voor de situatie dat de vermogenspositie van het eigenbeheerlichaam op het moment van pensioeningang (de pensioeningangsdatum) ontoereikend is om de aangegane pensioenverplichtingen na te komen. In die situatie is eenmalig een vermindering van de door het eigenbeheerlichaam verzekerde pensioenaanspraken mogelijk zonder dat de sanctie van het eerste lid optreedt. De vermindering van pensioenaanspraken kan plaatsvinden in door de minister van Financiën aangewezen gevallen, als blijkt dat is voldaan aan de door de minister te stellen voorwaarden. Met ‘blijkt’ wordt bedoeld dat de belanghebbende dit overtuigend aantoont.

Zie verder het besluit voor de uitwerking van de in artikel 19b, negende lid, van de Wet LB, opgenomen regeling.

DGA pensioen in eigen beheer

De DGA kan zijn pensioen opbouwen in zijn eigen holding of in een apart daartoe opgerichte pensioen bv. Een belangrijk voordeel van zo’n pensioen bv is dat de bv tijdens de opbouw van het pensioen premie-aftrek geniet, terwijl de DGA pas belasting hoeft te betalen wanneer hij de uitkeringen ontvangt. Aan de andere kant blijft het pensioengeld wel in de risicosfeer van de bv. Ook zal de fiscus over de pensioenuitkeringen willen heffen, terwijl de bv daartoe eigenlijk niet in staat is. Daarnaast is een pensioenverplichting in de holding bv niet aantrekkelijk bij verkoop van de aandelen van de holding.  Voor de koper is dit immers een verplichting en een extra kostenpost.

Dekkingsgraad

Pensioen bv’s die van deze regeling gebruik willen maken moeten rekening houden met een aantal voorwaarden. Zo moet de dekkingsgraad op de pensioendatum minder dan 75% bedragen. Met dekkingsgraad wordt bedoeld de mate waarin de pensioenverplichtingen worden gedekt door de bezittingen van de bv. Daarbij wordt gekeken naar de waarde in het economische verkeer van de activa, tegenover de fiscale waarde van de pensioenverplichting(en) en de waarde in het economische verkeer van de overige passiva. De onderdekking moet bovendien zijn veroorzaakt door (reële) ondernemingsverliezen en/of beleggingsverliezen in de zeven kalenderjaren voorafgaande aan de pensioeningangsdatum. Hierbij valt er te denken aan (formele) uitdelingen en terugbetalingen van aandelenkapitaal die niet zijn gecorrigeerd op de aangegeven wijze.

De staatssecretaris geeft het volgende voorbeeld

Stel een dga heeft een toegezegd pensioen van € 60.000 per jaar. De bv heeft activa van

€ 500.000 en passiva bestaande uit de pensioenverplichting met een fiscale waarde van

€ 750.000 en overige crediteuren van € 50.000. De dekkingsgraad is dan 62,5% (500.000/800.000 x 100%). In beginsel is een eenmalige vermindering van de pensioenaanspraken mogelijk van 37,5% van € 60.000 (€ 22.500). Het aangepaste pensioen bedraagt dan € 37.500.

Melding en kwalificatie van vermindering

Het door de vermindering van de pensioenaanspraken vrijgevallen deel van de fiscale pensioenverplichting(en) moet worden gerekend tot de belastbare winst van de verzekeraar voor de vennootschapsbelasting of een daarmee vergelijkbare buitenlandse heffing. Dit deel mag niet worden aangemerkt als informele kapitaalstorting of kwijtscheldingswinst of worden gerekend tot de verkrijgingsprijs van het aanmerkelijk belang in de inkomstenbelasting. De pensioen bv moet bovendien melding doen van de vermindering in zijn aangifte.

Vermindering op alle pensioenregelingen

Alle bij de pensioen bv uit te voeren pensioenregelingen die samenhangen met de aanspraken waarop de vermindering plaatsvindt moeten met hetzelfde percentage worden verminderd. Dus als een aanspraak op ouderdomspensioen wordt verminderd, moet ook het (bijzonder) partnerpensioen voor de (ex-)partner in gelijke mate worden verminderd.

Schriftelijke akkoordverklaring

De werkgever, het bestuur van de pensioen bv, de bij de pensioen bv betrokken aanmerkelijkbelanghouder(s) en alle pensioengerechtigden moeten akkoord gaan met de vermindering van de pensioenaanspraken. Dit moet schriftelijk worden vastgelegd.

Verzoek vooraf indienen

De vermindering mag pas plaatsvinden als aan alle hierboven genoemde voorwaarden is voldaan en alle betrokkenen vooraf een verzoek hiervoor hebben ingediend bij de inspecteur. Bij dit verzoek moeten uiteraard gegevens worden bijgesloten waaruit blijkt dat aan de gestelde voorwaarden is voldaan. Denk hierbij aan een opgave en berekening van de op pensioeningangsdatum opgebouwde pensioenaanspraken, de relevante pensioenovereenkomst(en) en de berekening van de voorgenomen vermindering van de pensioenaanspraken. De inspecteur kan zo nodig om aanvullende gegevens vragen.

Meer informatie:

artikel 19b, negende lid, van de Wet op de loonbelasting

Staatscourant, 28 maart 2013, nr. BLKB 2013/27M

Door ziekenhuis ingehuurde ZZP verpleegkundige is btw-plichtig

Door ziekenhuis ingehuurde ZZP-verpleegkundige is btw-plichtig: geen medische vrijstelling.
Het achterwege laten van btw bij zelfstandige verpleegkundigen is wettelijk niet toegestaan en leidt tot oneerlijke concurrentie met uitzendbureaus. De vrijstelling geldt alleen als

Staatssecretaris Weekers van Financiën ontkent de in Kamervragen geschetste onduidelijkheid over btw-heffing bij zelfstandigen in de zorg. In zijn algemeenheid verrichten verpleegkundigen die door een ziekenhuis worden ‘ingehuurd’ niet zelfstandig gezondheidskundige diensten, maar doen dit onder leiding en toezicht van een arts. Dit betekent dat verpleegkundigen die als zzp’er werkzaam zijn in een ziekenhuis, btw-plichtig zijn voor de door hen verrichte diensten. Derhalve is de medische vrijstelling niet van toepassing.

Aanleiding voor de Kamervragen was het artikel‘ Ondernemers laken controle door fiscus op btw in de zorg’ in het Financieel Dagblad van 30 januari 2013 waarin het de fiscus  verweten werd flexwerkers in de zorg niet aan te pakken om te zorgen dat zij op correcte wijze btw doorberekenen. Volgens de staatssecretaris is hier geen sprake van, aangezien hij het als algemeen bekend beschouwd dat het uitlenen van verpleegkundigen door uitzendbureaus belast is met btw. Het achterwege laten van btw bij zelfstandige verpleegkundigen is wettelijk niet toegestaan en leidt tot oneerlijke concurrentie met uitzendbureaus. De staatssecretaris ziet het artikel echter wel als een signaal dat er mogelijk nog wat te verbeteren valt in de informatievoorziening van de Belastingdienst over de toepassing van deze regelgeving.

Uitzendbureaus

De dienstverlening is vergelijkbaar met die van medische uitzendbureaus, die Wet BIG-beroepsbeoefenaren ter beschikking stellen. De staatssecretaris merkt op dat de belastingdienst bekend is met de rechtspraak en verwijst naar de beslissing van Hof Amsterdam dat de btw-vrijstelling niet van toepassing is bij prestaties verricht door een verpleegkundigenmaatschap aan ziekenhuizen, aangezien zij in concurrentie treden met uitzendbureaus: de prestatie (het ter beschikking stellen van arbeid) is in wezen gelijk en ook de Hoge Raad besliste in het geval van een medisch uitzendbureau dat de btw-vrijstelling niet van toepassing is. Hetzelfde geldt ook voor de diensten van BIG-geregistreerde zzp’ers/zorgverleners die hun arbeid, al dan niet door middel van bemiddelingsbureaus, aan ziekenhuizen ter beschikking stellen.

Medische vrijstelling

In artikel 11, eerste lid, onderdeel g, onder 1°  van de Wet op de omzetbelasting is een vrijstelling opgenomen [de zgn medische vrijstelling]  voor de gezondheidskundige verzorging van de mens door beoefenaren van een beroep waarvoor regels zijn gesteld in de Wet BIG. De vrijstelling geldt alleen als [1] de beroepsbeoefenaar zelfstandig een gezondheidskundige dienst verricht, [2] een Wet BIG-opleiding heeft afgerond en [3] de verrichte dienst behoort tot het deskundigheidsbereik van die beroepsbeoefenaar. Of in een concrete situatie sprake is van het zelfstandig verrichten van een gezondheidskundige dienst, moet worden beoordeeld aan de hand van de feiten en omstandigheden van het geval. Van het zelfstandig verrichten van een gezondheidskundige dienst is geen sprake als de betrokken beroepsbeoefenaar onder leiding en toezicht van een opdrachtgever (bijvoorbeeld een arts) werkzaamheden uitvoert. In dat geval stelt de Wet BIG-beroepsbeoefenaar zijn of haar diensten (arbeid) ter beschikking en is sprake van een met btw-belaste prestatie, ook al wordt gezondheidskundige arbeid verricht. In zijn algemeenheid verrichten verpleegkundigen die door een ziekenhuis worden “ingehuurd” niet zelfstandig gezondheidskundige diensten.

Meer informatie:

Beantwoording Kamervragen over btw-heffing bij zelfstandigen in de zorg, 4 april 2013, nummer 2013ZO1927

HR 7 december 1994, nr. 29.571, LJN AA2991

Hof Amsterdam, LJNBZ0905, 11/00832. 07-02-2013

Rechtbank Breda heeft anders beslist op 6 maart 2013. Tegen deze uitspraak zal hoger beroep worden ingesteld.